Hoe werkt een laserprinter

De onderdelen van een laserprinter

  1. Controller
  2. Drum
  3. Corona draad
  4. Laserstraal
  5. Roterende spiegel
  6. Magnetische rol
  7. Tonerreservoir
  8. Transportriem of -rollen
  9. Papierbak
  10. Transfer rollen of -draad
  11. Drumschraper
  12. Fuser

Het proces

Als u een printopdracht geeft, 'praat' de computer met de printcontroller (1). De opdracht wordt in de wachtrij gezet en de data wordt vertaald in printdata. Hierbij worden tekst en eventuele afbeeldingen tijdens het zogenaamde RIP-proces (Raster Image Processor) omgezet naar een matrix van minuscule punten.

De drum is voorzien van een lichtgevoelig oppervlak. Dit oppervlak bestaat vaak uit een halfgeleider (in de meeste gevallen silicium). Tijdens het afdrukproces wordt de drum eerst ontladen om eventuele achtergebleven tonerresten te verwijderen. Ook de schraper (11) werkt hier bij mee.

De Corona-draad (3) zorgt door middel van hoge spanning ervoor dat de drum een positieve elektrische lading krijgt. Vervolgens wordt door de laser (4) in combinatie met de roterende spiegel de tijdens het RIP-proces opgebouwde matrix van punten overgebracht op de drum. Op de plek waar de laserstraal de drum raakt, wordt de lading van de drum omgekeerd naar een negatieve lading.

De drum draait verder en komt langs de magnetische rol (6) die positief geladen tonerpoeder bevat. Het tonerpoeder wordt aangetrokken door de negatief geladen delen van de drum. Tegelijkertijd komt de papieraanvoer (8 en 9) in actie. Het papier paseert hiebij transportrollen (10) die het papier een postieve lading geeft. Als het papier langs de drum gevoerd wordt, wordt toner door de omgekeerde lading door het papier aangetrokken. Het papier met de nog losse poedertoner wordt nu door de fuser (12) gevoerd. De fuser bestaat uit 2 rollen die een temperatuur hebben van rond de 150 graden. Hierdoor smelt de toner op het papier vast. Hierna wordt het papier uit de printer getransporteerd.